Pentagon: 5 containers kunst in een stadspark
Vooraf
Langzaamaan vindt de hernieuwde werking omtrent hedendaagse beeldende kunst zijn plek binnen STUC. Tijdens de eerste helft van het seizoen was er al een samenwerking met A Prior die resulteerde in VIDEO-TAKE, een mondiale bloemlezing van jonge video-kunst in de Stedelijke Bibliotheek. In afwachting van een eigen expositiezaal in het nieuwe gebouw van STUC in de Naamsestraat, wordt zowel de fysieke als mentale zoektocht naar ruimte voor actuele kunst verdergezet.
Het project PENTAGON
PENTAGON, een tentoonstellingsproject met vijf containers kunst in het stadspark, maakt deze vraag naar ruimte in de eigen organisatie, in deze stad en later in het nieuwe huis tot zijn uitgangspunt. Geen enkele omgeving is immers zo strak omlijnd en tegelijkertijd zo vluchtig als een container. De modules kennen hun kubieke grenzen en zijn per definitie tijdelijk geplaatst. Het bij uitstek publieke en aan de tijd onttrokken stadspark vormt de ideale beeldtrack. Dat is de ruimte die beschikbaar is, als drager of als tentoonstellingsruimte, geponeerd in een openbaar park.
De openbare ruimte blijft een obsessie voor actuele kunst. Het naar buiten komen met hedendaagse beeldende kunst lijkt een progressieve waarborg in te houden. Naast de al bereikte kunstliefhebber vormt de toevallige passant een nieuwe doelgroep. Zoekt hedendaagse kunst een nieuwe legitimatie in een voor iedereen makkelijk toegankelijke stadstentoontstelling? Een tweede blik ontrafelt zoÕn democratisch kleedje enigszins. Het inpalmen van de openbare ruimte neemt weliswaar alvast enkele sociale drempels weg inzake bereikbaarheid. Maar democratie schuilt ook hier, gelukkig, niet enkel in kwantitatieve maatstaven. De uitdaging ligt veeleer in een blijvende verhouding tot de kijker.
Daarom vindt STUC de keuze voor containers in een stadspark relevant. Het is een goede formule om ruimte af te tasten voor actuele kunst zonder de verwachting dat een nieuwe legitimatie wordt gegenereerd. Het passage effect is voor ons een meerwaarde op die zoektocht. Hierbij is gedwongen tijdelijkheid mooi. De publieke ruimte is voor even ingekleurd, daarna mag het terug naar af, de ruimte wordt opnieuw hersteld in zijn oorspronkelijke staat. Maar de blik is verschoven, het momentane blijft kleven op de herinnering.
De naam PENTAGON is niet toevallig geconnoteerd met een moeilijk inneembare plek, maar met deze expositie -en met het VIDEO-TAKE project eerder dit seizoen in het achterhoofd- lijkt beeldende kunst een plaats te vinden in STUC.
Selectie
In dit kader vroegen we vijf jonge kunstenaars om nieuw werk te maken. Hun werk appelleerde steeds aan ruimtelijkheid en de ruimtelijke ervaring en precies deze gedeelde preoccupatie bracht hen hier samen. De gemeenschappelijke artistieke affiniteit wordt door ieder van hen anders uitgewerkt in de tijdelijke beslotenheid van een container of unit. Dit levert vijf sterke binnen-buiten perspectieven op.
CHRISTINE CLINCKX
(°1969, Merksem)
wringt in haar werk vaak de grenzen van de blik open. De onder- en achterkantjes van haar universum verbeelden de minder klare kant van al wat menselijk is. Op die manier zijn de confrontaties die zij creëert ook altijd sociaal en politiek getint.Hier niet minder. Met een stacaravan in het stadspark zoekt ze het groen op. De natuur is er een scène en de stacaravan, oud en vies, stinkt. Het woonplekje in de buiten gaat ondergronds, verstart tot een man die ondersteboven vastzit in de onderkant van een tot schroot verworden thuis.
IVES MAES
(°1976, Hasselt)
brengt in zijn installatie op een groteske en vleselijke manier zijn complexe ideeën en fantasieën omtrent de fictieve natuur van een stadspark samen. Net als in zijn haast frivole beschouwing in de bijhorende brochure eist de grot in zijn werk een centrale plaats op. De grot als parkmonument bij uitstek is de ultieme samensmelting tussen mens en natuur, althans zo wil men ons doen geloven. Maes stapelt in de afgebakende ruimte fictief element, een mini stadsparkje inclusief fontein, op fictief element, het echte stadspark. Abjecte vleeshopen komen echter in de plaats van echte rotspartijen. Dit zorgt niet enkel voor een nadruk op zijn po‘tische en tegelijkertijd humoristische beeldentaal maar ontkracht ook des te meer de romantische illusie dat het vlees -en niet het bot- eeuwig zou zijn.
KOENRAAD DEDOBBELEER
(°1975, Halle)
speelt heel direct in op de ruimtelijke ervaring. De container, bedoeld om zijn werk te tonen, wordt ge•miteerd door het werk zodat werk en ruimte met elkaar interageren. In de container wordt een nieuwe module aangebracht. Ondermeer door middel van een spel met licht en donker en het onbenut laten van een betreedbare schacht tussen de buitenwand van de module en de binnenwand van de container wordt de kijker geconfronteerd met ruimte. De bezoeker verhoudt zich tot de ruimte en het besef van grenzen wordt aangescherpt.
JEAN BERNARD KOEMAN
(°1964)
gebruikt de beschikbare ruimte van de container radicaal als drager van zijn werk. Aan de buitenzijde wordt een meertalige tekst bevestigd. Een gedachte die in de eerste plaats op de toeschouwer is toegespitst en in de lijn ligt van eerder door de kunstenaar geformuleerde fenomenologieën. Koeman inspireert zich hier opnieuw op de verhouding tussen taal en architectuur. Op die manier wordt de container, weliswaar tijdelijk, omgevormd tot een zelfstandig gebouw met menselijke eigenschappen. Het werk bestaat bij gratie van het publiek, dat voor een totaalbeeld genodigd wordt om rond de door de container ingenomen ruimte te stappen.
ELS VANDEN MEERSCH
(°1970, Ninove)
haar werk kenmerkt zich altijd door een onmiddellijke fysieke en mentale verhouding tot de ruimte waarin het werk gemaakt en getoond wordt. De verhouding tot de ruimte is een basale verhouding van kijken, staan, plaatsen, raken, verzetten en terugkijken. Wanneer zij in- en met een ruimte werkt, transformeert ze tegelijkertijd de ruimte.De reproductie van die transformatie geeft ze keer op keer een plaats in het werk. Op die manier onstaat er een eindeloze verdubbeling. De toeschouwer/kunstenaar wordt deel van het werk aangezien hij een plek inneemt in de aangroeiende verhoudingen. Ondanks het feit dat de concrete vormentaal van het werk hier bestaat uit koude materialen als gips, kartonnen dozen, Ytong, geometrische figuren en schetsen op ruwe muren ontstaat er een psychische spanning. Je bent als toeschouwer immers in de ruimte zoals je in het hoofd van een ander kan zijn, geplaatst in een spel van verhoudingen die je zelf niet kan controleren. Een rondslingerende stoel is het aanwezig stellen van eerdere bezoekers, achtergelaten werkgerei geeft de kunstenaar een plaats in de ruimte.