Videos

Locatie: STUK Expozaal
04-09-2003

Je hebt een opleiding gehad in theater en performance. Hoewel je werk binnen de visuele kunst kadert, is het in zekere zin ook heel theatraal.
Het soort theater waar ik mee bezig was zat sowieso ergens tussenin. De punten waarrond ik werkte en de processen lagen erg dicht bij die van performance en beeldende kunst. Het betekende werken met taken, opdrachten en met gevonden teksten, zoals lijsten en associaties in plaats van narratieve structuren. Ik begon met video’s en foto’s omdat ik bepaalde aspecten van dat werk op een meer precieze manier wilde onderzoeken. De verschuiving naar visuele kunst gebeurde vrij natuurlijk – het leek gewoon een juistere context voor mijn interesses.

Je speelt zelf in je video’s. Hoe belangrijk is die persoonlijke dimensie in je werk ?
Zelf acteren in mijn eigen werk staat me toe dingen te verzinnen voor de camera en zo ontdek ik wat me interesseert. Wat ik ga doen bereid ik gedeeltelijk voor – ik ken de plaats, het kader, de taak of de handeling die ik wil gaan verkennen in die ruimte – maar de manier waarop de handeling wordt uitgevoerd wordt ter plekke geïmproviseerd door te werken met zaken die op dat moment gebeuren en niet gepland zijn. Zo wordt ‘wat ik wil’ en ‘wat ik doe’ bepaald op het moment van de opname zelf. Het gevoel van ‘niet weten wat vervolgens te doen’ is erg belangrijk voor mijn werk, en daar bij aansluitend ook het gevoel dat de persoon die in de video voorkomt er wat onvoorbereid uitziet, ietwat onbekwaam voor de taak die ze moet doen, er niet helemaal klaar voor is. Met als gevolg dat een zekere tekortkoming en strijd en mislukking uit de hande-ling voortkomen.
Ik beschouw de figuur in mijn werk simpelweg als ‘een persoon’ – een vrouw – een min of meer generische figuur wier persona ontstaat in haar relatie tot de activiteit en de situatie, en door de ontmoeting met de ruimte. Het is niet belangrijk dat ik die persoon ben. Ik zie het meer alsof ik een soort stand-in ben, of een demonstrateur, of een testpiloot.

Je zegt dat je werk het gebied bestrijkt tussen het echte en het fictieve.
Er is altijd iets in mijn werk dat onopgehelderd blijft. Ik laat bijvoorbeeld vaak opzettelijk open wat de context en de reden voor de handeling is. Waarom doet de persoon die je ziet datgene wat ze doet? Waarom loopt ze in In Place voortdurend naar het centrum van de landschappen? Waarom dooft ze in Extinguishers denkbeeldige vuurtjes? Waarom verschuilt ze zich in Trees Loop achter een boom? Er is altijd voldoende ruimte om een situatie op verschillende manieren te lezen. Omdat een narratief kader ontbreekt voor datgene waarvan je getuige bent, blijf je als toeschouwer nieuwsgierig naar de details van de situatie en naar de krachten en redenen die deze persoon moti-veren. Er blijven zoveel vragen onopgelost dat er altijd ruimte is voor fictie. Je kent ‘het verhaal’ niet van deze persoon, dus word je op een bepaalde manier uitgenodigd er een te verzinnen. Daar ontstaat de fictie – in wat er niet is, in het onver-klaarbare, in de gaten.
Video’s zoals Restless, In Place, Extinguishers, Insults and Praises, At the Door - ik noem ze taakgestuurde video’s – zijn allemaal gestructureerd als verkenningen van een enkele taak, of van mogelijkheden binnen een geheel van regels.
Er wordt veel herhaald, vaak wordt hetzelfde op veel verschillende manieren of op veel verschillende plaatsen gedaan, zodat de handeling in deze stukken als een oefening voor iets kan worden gezien – als een soort test, een poging om iets ‘goed’ te krijgen, een doorloop, of een repetitie voor een gebeurtenis die eventueel later ‘echt’ zal gebeuren. Op dat niveau is de werkelijkheid van de situatie intact – wat je ziet kun je lezen als iemand die iets obsessief aan het repeteren is voor ‘later’. Ergens lijkt het op het creëren van een catalogus van mogelijke acties, bewegingen, lijnen en strategieën die deze persoon kan gebruiken als ze ze nodig heeft. Het doven van denkbeeldige vuurtjes in Extinguishers bijvoorbeeld kan worden gelezen als een repetitie om met een toekomstige brand om te gaan. Maar er is ook de mogelijkheid dat wat je ziet ‘het’ is – het echte ding, dat er niet een ‘later’ zal zijn, dat dit gewoon een privé spelletje of een ritueel is voor deze persoon en dat we enkel kunnen raden naar haar beweegredenen. Op deze manier word je uitgenodigd om vragen te stellen over de hoofdpersoon, haar wereld, haar gemoedstoestand en haar beweegredenen. Het wordt een soort fictie.
Er is nog een andere manier waarop mijn werk het echte en het fictieve vermengt die me interesseert – de manier waarop ‘doen alsof’ of spelen iets kan worden met echte kwaliteiten of ontdekkingen. Dit geldt met name voor mijn werken van langere duur zoals At the Door en Insults and Praises. At the Door is een video van een uur waarin een vrouw naast de deur staat en zegt dat ze weggaat – ze herhaalt dat voortdurend op allerlei verschillende manieren. Het is alsof ze zoekt naar de beste manier om het te zeggen. Maar in feite gaat ze gedurende de hele video nergens heen. Voor mij begint het werk op een min of meer geënsceneerde of gecontroleerde manier – het is duidelijk dat deze persoon speelt of doet alsof – ze probeert de verschillende mogelijkheden van deze scène uit, bereidt zich voor, oefent misschien voor een toekomstig vertrek. Maar nadat ik dit gedurende lange tijd doe, raak ik echt gefrustreerd, echt verveeld, de herhaling irriteert me... Ik herinner me dat ik tijdens de video-opname voortdurend met mezelf aan het onderhandelen was: stoppen of doorgaan? Er waren momenten dat ik wilde stoppen, maar elke keer weer dwong ik mezelf om iets langer door te gaan. Deze innerlijke processen beginnen daarmee hun effect te hebben op de manier waarop er wordt gespeeld. Het lijkt niet langer meer zoveel op doen alsof of op spel of repetitie, omdat nu de dynamiek tussen weg willen gaan en niet weggaan – de onderhandeling over blijven of weggaan – nu aanwezig is, net onder de opdracht. Het is net alsof de werkelijkheid om gedurende langere tijd voor de camera te staan op de een of andere manier gewicht of geloofwaardigheid geeft aan de fictieve situatie en het injecteert met iets dat echt is.

Je neemt “handelingen of linguïstische vormen uit het alledaagse leven en richt er opnieuw je aandacht op”. Kan je dat wat meer uitleggen?
Zoals ik al eerder zei, wordt veel van mijn werk georganiseerd rondom een verkenning van een enkele handeling binnen een geheel van regels. Veel van de handelingen verwijzen naar het dagelijkse leven of zijn er direct aan ontleend, of worden als een taak gesteld. In Restless bijvoorbeeld betreedt één enkel iemand een lege zaal en gaat voortdurend op een andere stoel zitten, alsof ze de beste plaats zoekt. Of neem In Place – wat in wezen een catalogus is van zo’n vijventwintig locaties in de open lucht waarin een vrouw dezelfde basishandeling uitvoert – het kader binnenlopen, zichzelf in het midden zetten en terug het kader uitlopen.
De laatste tijd werk ik veel met gevonden ruimtes – ik begin met een plaats die me interessant lijkt om dan handelingen te vinden of beelden die al behoren tot de alledaagse activiteiten die met die plaats worden geassocieerd. Er is een zaal – je probeert elke stoel uit. Er is een deur – je gaat door het proces van weggaan. Er is een boomstronk – je klimt er op en balanceert... In deze voorbeelden vormt de ruimte zowat het beginpunt voor de handeling; de ruimte ‘nodigt je uit’ om iets te doen, iets heel banaals – iets dat deel uitmaakt van het dagelijkse ‘repertoire’ van dingen dat je er zou kunnen doen. Maar omdat de alledaagse context is weggehaald rond de handeling en de handeling dus wordt geïsoleerd, opnieuw wordt gespeeld, herhaaldelijk wordt uitgeprobeerd en van elke referentie aan de wereld rondom wordt ontdaan, stopt de situatie met alledaags te zijn. Misschien herken je het als iets bekends, maar als het te lang duurt of wordt herhaald – zoals in mijn langdurige en taakgestuurde video’s – lijkt het te blijven hangen of onbeheersbaar te worden.
Een zelfde soort transformatie gebeurt ook in de video’s die in ‘loops’ zijn opgebouwd. Daarin wordt het herhalen van één enkel moment zo uitvergroot dat het afstompend wordt of ondraaglijk. Het trekkende been in Out On a Limb bijvoorbeeld blijft in deze tussenruimte hangen – het is niet helemaal in balans maar valt ook niet om – het is iets alledaags maar hier wordt het iets anders. Het is een lichaam op het randje van iets, alleen krijgt het geen oplossing, geen opluchting. Wat mij interesseert is om deze alledaagse bewegingen, strategieën, handelingen etc. door te drijven tot het punt waarop ze je in de war brengen, neurotisch of eng worden. Ik denk dat ik me vaak richt op de ontmoeting en de interactie van iemand met een omgeving en de dingen daarin; de relatie tussen lichaam en object, tussen lichaam en ruimte.