Pieter Vermeersch
Pieter Vermeersch (°1973) is een schilder. Maar wel één die met zijn schilderkunstige, picturale benadering altijd
driedimensionale effecten creëert. Kleur staat centraal in zijn werk en wordt steeds in relatie gebracht met de begrippen ruimte en tijd. Eerder maakte hij bijvoorbeeld installaties met… verf. Hij schilderde de ramen van zijn galerie telkens in een andere kleur. De hele ruimte zinderde mee. Of neem zijn schilderkunstig onderzoek aan de hand van zijn degradé’s: monumentale schilderijen met een uiterst precieze, bijna wetenschappelijk bepaalde graduele ‘verschuiving’ van de kleur; en recenter zijn average coulours: monochrome schilderijen als resultaat van een ‘rekenkundige’ hertaling van een bestaand schilderij naar haar gemiddelde kleur. Pieter Vermeersch vertrekt voor zijn werken meestal van de specifieke ruimtelijke context van de tentoonstellingsruimte. Het gebruik van kleur wordt gekoppeld aan een ruimtelijk bewustzijn, de architecturale informatie wordt verwerkt in de schildersact. Dat zal in STUK niet anders zijn. Deze tentoonstelling is ook een bouwsteen voor het onderzoeksproject Ruimte en tijd in abstracte en minimalistische schilderkunst. De casus Philippe Van Snick. STUK is partner van dit onderzoek dat zich binnen de Associatie K.U.Leuven ontplooit. In een latere fase komt Pieter Vermeersch opnieuw naar STUK om zijn werk dan daadwerkelijk te confronteren met het oeuvre van Philippe Van Snick.
VERNISSAGE
ZO 29 JANUARI 06 . 16U00-19u00 . STUK EXPOZAAL . GRATIS
SCHILDEREN ALS EEN PRINTER
Een gesprek met Pieter Vermeersch naar aanleiding van zijn tentoonstelling in STUK.
Voor je werk vertrek je steeds van de specifieke ruimtelijke context van de tentoonstellingsruimte. Wat zijn je concrete plannen voor de expozaal en het STUK-gebouw?
Het idee is om de volledige gevel, dus alle vensters van de voorgevel, in één kleur dicht te schilderen. Die kleur zal dan worden doorgestraald in het hele gebouw. De tentoonstellingsruimte wordt daarbinnen een cassette waarin er informatie getoond wordt over de andere ruimtes die het publiek op het moment van de tentoonstelling niet kan betreden. Op die manier breidt de tentoonstellingsruimte zich uit over het volledige gebouw en zijn aangrenzende omgeving. De tentoonstellingsruimte is de cassette met daarin de concentratie van het hele project.
Een procédé dat je reeds eerder hebt toegepast zoals voor je Off the Hook-project in Gent waarbij je op gelijkaardige wijze een leegstaande etalage onder handen nam.
Ik heb zo'n 3 basiswerken: Work in Progress I, II en III. Het eerste werk was inderdaad 'Off the Hook' in Gent en vormt eigenlijk het hele basisidee. Dit idee verschuift naar gelang de plek waarin het mogelijk is om het te herhalen. Accenten verschuiven of worden weggelaten en er wordt ingespeeld op de visualisering die optreedt op het moment dat de bezoeker in de tentoonstellingsruimte rondwandelt. Het fysieke werk breidt zich uit naar het hele gebouw dat een soort scherm wordt. Dit wordt geconcretiseerd via foto's. Van iedere ruimte die niet toegankelijk of zichtbaar is, wordt een foto gemaakt en deze worden in de tentoonstellingsruimte gemonteerd. De opnames worden pas gemaakt wanneer alle vensters dichtgeschilderd zijn en dus niet tijdens het schilderen zelf.
Kleur staat centraal in je werk zoals in de uiterst precieze dégradés. Hoe begin je aan een dergelijk complex werk?
Dégradés schilderen fascineert me. Het is bijna wetenschap. Je bouwt kleurinformatie op en af: van wit naar een kleur of omgekeerd, van o% naar 100 % of omgekeerd. Als je bijvoorbeeld op één muur van wit naar zwart schildert, dan wordt die muur opgesplitst in 60 kleurvelden. De verf wordt op voorhand met de hand gemengd. De gradatie schuift op door in velden te schilderen. Het heeft een mathematisch karakter maar dan wel een berekening die via het oog gaat en niet via kleurprocenten omdat pigmenten tegenover elkaar verschillend werken. Een geel reageert anders wanneer je het met wit mengt dan een rood bijvoorbeeld. Ook het type verf speelt een rol. Als je met een mengmachine en met procenten zou werken, kom je niet uit op een dégradé die er uitziet als van wit naar rood bijvoorbeeld. Dan gaat de evolutie te snel of te traag. Een dégradé is iets dat puur met het oog tot stand komt. Ik maak eerst iets op papier en dan meng ik de verf tot het overeenkomt met die velden op dat papier. Die neem ik systematisch over; controleren en dan opbouwen. Het interessante is dat je die rigide aanpak niet ziet in het resultaat. Het geheel wordt iets anders en dat moet het ook. Dat systematische 'schilderen zoals een printer' vergt een discipline. Het is ook fysiek zeer intensief omdat de techniek je niet toelaat het proces te onderbreken.
Je studeerde aan Sint-Lucas Gent en het H.I.S.K. te Antwerpen. Na je studies kon je al snel tentoonstellen...
Het H.I.S.K is een goede springplank. Veel mensen hebben er mijn werk kunnen zien en dat heeft zeker het proces versneld. Je krijgt er boeiende mensen over de vloer die je anders niet naar je atelier krijgt. Daarnaast zijn er ook een aantal mensen die zich algemeen inzetten voor jonge kunstenaars. En de pers speelt natuurlijk een belangrijke rol. Als je werk gerecenseerd wordt, helpt dat.
Later dit jaar kom je naar STUK terug in verband met een casus rond het werk van Philippe Van Snick.
Het is eerder gepland voor volgend jaar. Dan zou ik reageren op dit onderzoek van Hilde Van Gelder met een tentoonstelling of eerder een beeldend antwoord. Wat we
gelinkt aan deze casus dit jaar wel maken is een stevige publicatie rond deze tentoonstelling en mijn werk in het algemeen.
Wat brengt 2006?
Na STUK participeer ik in een groepstentoonstelling in Palais Des Arts te Dresden, dan volgt Arco* en tegen eind april gaat een solotentoonstelling open in de Bond in Brugge. Andere mogelijkheden daarna worden nog meer geconcretiseerd maar in ieder geval gebeurt er nog iets in Antwerpen eind juni.
*Internationale kunstbeurs in Madrid