Howl
In het San Francisco van de jaren ‘50 debiteert de jonge dichter Allen Ginsberg in een donkere kroeg zijn laatste gedicht, Howl. Deze poëtische schreeuw van woede en frustratie verwoordt het gevoel van een groep jongeren die niet meer kan aarden in de grijze, fletse maatschappij van het Eisenhower-regime. Howl heeft geen rijm en geen vast ritme, de ongelijke verzen bestaan uit spreektaal en vooral: het gedicht schuwt geen enkel taboe. Homoseksualiteit, psychedelische drugs, overmatig drankgebruik, hedonisme en krankzinnigheid: Ginsberg is de eerste die het onder woorden brengt. Het gedicht bombardeert hem in één klap tot de spreekbuis van de Beat Generation, een rol die hij met plezier opneemt. Wanneer het gedicht in boekvorm wordt uitgegeven, wordt Ginsberg aangeklaagd voor ‘obsceniteit'. Zijn proces wordt het proces van een hele generatie. De uitspraak ervan zou aangeven in welke mate de beatniks het recht hadden om zichzelf te zijn, te choqueren en de goegemeente uit te dagen.
D: Engels, OT: Nederlands